Nederlands Nederlands woordenboek Nederlands

A - B - C - D - E - F - G - H - I - J - K - L - M - N - O - P - Q - R - S - T - U - V - W - X - Y - Z

Nederlands woordenboek. Vertalingen, Definitien, synoniemen, Werkwoordsvormen.

A

e.g. aderizeren, ananassap, attenderen, aanlonken, autotelefoon
Woorden met A - 3608
aA - aB - aC - aD - aE - aF - aG - aH - aI - aJ - aK - aL - aM - aN - aO - aP - aQ - aR - aS - aT - aU - aV - aX - aY - aZ

B

e.g. brandladder, bemeesteren, bezettende mogendheid, bloedproef, bijzonderheden
Woorden met B - 3751
bA - bB - bE - bH - bI - bL - bO - bR - bT - bU - bY - bZ

C

e.g. chloroform, contortionist, campagnevoerster, coifferen, CD-ROM schijf
Woorden met C - 1343
cA - cB - cD - cE - cH - cI - cL - cO - cP - cR - cS - cU - cY

D

e.g. doodknijpen, dwarsscheeps, douane, depositeur, dubbele vestingtoren
Woorden met D - 2515
dA - dE - dH - dI - dJ - dN - dO - dR - dS - dU - dW - dY

E

e.g. employée, erger maken, een mep geven, emenderen, extraheren
Woorden met E - 1502
eA - eB - eC - eD - eE - eF - eG - eI - eJ - eK - eL - eM - eN - eO - eP - eQ - eR - eS - eT - eU - eV - eX - eY - eZ

F

e.g. flocculeren, flatteus, firma, fotocopie, fluctuatie
Woorden met F - 869
fA - fB - fE - fI - fJ - fL - fM - fN - fO - fR - fT - fU - fY

G

e.g. gemiddelde waarde, gutturaal, Griek, grootboek, geschikt zijn
Woorden met G - 2607
gA - gB - gE - gI - gL - gN - gO - gR - gU - gY

H

e.g. hertrouwen, het weer goedmaken, herkansing, hopeloze onderneming, hossebossen
Woorden met H - 1979
hA - hE - hI - hM - hO - hU - hY

I

e.g. in conformiteit met, indelen, in schulden raken, in het kort, inspecteur
Woorden met I - 2004
iA - iB - iC - iD - iE - iG - iJ - iK - iL - iM - iN - iO - iQ - iR - iS - iT - iV

J

e.g. jonggehuwde, jammer, jaardag, judiceren, journalistieke stijl
Woorden met J - 309
jA - jE - jI - jO - jU

K

e.g. kiemdodend middel, kunstschilder, katoliseren, keutelen, kiezelsteen
Woorden met K - 2539
kA - kE - kI - kL - kN - kO - kR - kU - kW - kY

L

e.g. lunch, legataris, ledebraken, leerjongen, laten voorbijgaan
Woorden met L - 1527
lA - lE - lI - lO - lS - lU - lY

M

e.g. maniok, monterheid, mennen, modderen, mesjoche
Woorden met M - 2195
mA - mE - mI - mN - mO - mU - mW - mY

N

e.g. nooit, Nederlander, neerpoten, nationaliteit, nagenieten
Woorden met N - 1249
nA - nE - nI - nO - nU - nY

O

e.g. ooglappen, ontdekken, optimiste, onbevredigend, onderscheid maken
Woorden met O - 3876
oA - oB - oC - oD - oE - oF - oG - oH - oK - oL - oM - oN - oO - oP - oR - oS - oT - oU - oV - oX - oZ

P

e.g. plezier beleven aan, privaat, percussie-, plantenkwekerij, polygamie
Woorden met P - 2456
pA - pC - pE - pF - pH - pI - pL - pN - pO - pR - pS - pT - pU - pY

Q

e.g. quadrateren, quitte, quotatie, Quito, quadreren
Woorden met Q - 41
qU

R

e.g. rekbaar, royaliste, ruwe vezels, relaxeren, remunereren
Woorden met R - 1833
rA - rE - rH - rI - rN - rO - rU

S

e.g. statisticus, snurken, scorer, schoot, schilferen
Woorden met S - 4224
sA - sC - sE - sF - sH - sI - sJ - sK - sL - sM - sN - sO - sP - sQ - sS - sT - sU - sW - sY

T

e.g. truc, toerekenbaar, thema, technisch detail, theepot
Woorden met T - 2382
tA - tE - tH - tI - tJ - tL - tO - tR - tS - tU - tV - tW - tY

U

e.g. uiteenwijken, uniformjas, UNICEF, uiterlijk, uitkijken op
Woorden met U - 907
uF - uI - uK - uL - uM - uN - uP - uR - uS - uT - uU - uV - uW - uZ

V

e.g. verwerking, verzadigen, verluchting, vulgariteit, van alle tijden
Woorden met V - 4242
vA - vE - vH - vI - vL - vO - vR - vU

W

e.g. wrokkig, wenteling, wegvreten, waarvandaan, woonwijk
Woorden met W - 1571
wA - wE - wH - wI - wO - wR - wU

X

e.g. X-chromosoom, x-benen, xeroxen, xylofoon, xenofobie
Woorden met X - 5
xE - xY

Y

e.g. Yorkshire pudding, yogi, yeti, yoghurt, ypsilon
Woorden met Y - 13
yA - yE - yO - yP - yU

Z

e.g. zelfstrijkend, zoekwoord, zwaai, zwakken, zeshoek
Woorden met Z - 1623
zA - zE - zI - zO - zU - zW